96-12-30 (5/9) Bij de buitenlandse uniformen, bezit het museum complete representatieve sets van bondgenoten en tegenstanders uit de periode vanaf de Wereldoorlog 1 tot heden, wat een zeer sterke kant is. Algemene criteria voor verwerving zijn goed, maar niet selectief genoeg. Per defenitie is er geen volledig overzicht van de collectie, eerst behoort de collectie grondig te worden geinventariseerd, daarna kan men pas een lijst van te verwerven objecten en af te stoten objecten samenstellen. Op het ogenblik is de huidige instroming van objecten waarvan in het depot meerdere aanwezig zijn, zeer hoog. Als gevolg hiervan wordt de huidige opslag van objecten per jaar ingedikt. De verantwoordelijke personen die met verwerving van de objecten belast zijn, realiseren zich niet voldoende dat het depot een beperkte opslagmogelijkheid heeft met alle gevolgen vandien. Gaat men er in theorie er vanuit dat de collectie is geinventariseerd, dan zou de volgende wijze van selectieve verwerving de beste methode kunnen zijn. Deze wijze van verwerving wordt met succes toegepast in het Australian War Memorial in Canberra.

 

-0-0-0-0-0-0-0- Quote:

 

(Deze collectie en expositie bevat de Australische krijggeschiedenis van alle drie de krijgsmachtonderdelen, alsmede van de voormalige tegenstanders.) (20.000 kaarten, 6000 luchtfoto’s, ca 20.000 pamfletten, 4000 films, en de fotografische collectie bevat ongeveer 800.000 afbeeldingen vanaf de koloniale periode tot de Vietnam oorlog. Meer dan 12.000 schilderijen, tekeningen, welke werden geproduceerd door officieel aangestelde oorlogskunstenaars gedurende beide wereldoorlogen.

 

“The Memorial’s exhibition galleries are the most obvious evidence of its concern to commemorate Australia’s war dead, but they represent only a part of its responsibilities. The Memorial fulfills its responsibilities by caring for, developing, conserving and making available for study its many collections, and by encouraging an awareness of Australia’s military past in many more ways than apparent in viewing the galleries.

 

As a statutory authority the Memorial is governed by a Council, consisting of ten Australians who have made notable contributions to public life and are appointed by the government, and the three chiefs of the defence force staff acting “ex officio.” While the Council determines the Memorial’s policies their implementation is the responsibility of its Director.

 

Making a donation.

 

Though the many items in its collections were obtained during wartime, the Memorial continues to acquire items which reflect and contribute to an understanding of what has meant for Australians. Most of the hundreds of records and relics added to its collections each year are acquired through donations made by former servicemen and women or their families, and the Memorial’s curators are always pleased to hear from anyone who has historical material which they think may interest the Memorial.

 

Unfortunately the Memorial is unable to accept every item offered. Its curators has devised collecting policies which enable them to identify and fill gaps in its collections and make the most of its limited conservation and storage facilities and staff resources. This means that items which might duplicate existing holdings unnecessarily would probably be declined, but curators are always happy to discuss with potential donors material offered to them.

 

This is particularly so for unique documents such as photographs or letters (which can also be copied and made available for use in the Research Centre) or for relics of campaigns, such as Greece or Kokoda, poorly represented in the Memorial’s collections.

 

Those wishing to offer material to the Memorial should first write to the Director, describing the items as fully as possible in order for the curators to decide whether they fall within the Memorial’s collecting policies.

 

Please note, however, that while the Memorial would be unable to undertake that items donated will be displayed, it is able to ensure that they will be preserved for posterity.

Bron: A guide to the Australian War Memorial.

 

end quote.                0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-

 

Personen die een schenking willen geven aan het museum, zullen eerst een brief met foto van het te schenken object(ten) moeten sturen. De voordelen hiervan zijn: 1 De schenker/ster hoeft nog niet naar het museum te komen met de schenking. 2 Aan de hand van een nauwkeurige beschrijving eventueel met foto of schets kan de Conservator(ren) en de leden van de aquisitiecommisie een oordeel vormen of het object een aanwinst voor de collectie kan zijn. (al dan niet met historische beschrijving) 3 De schenker /ster behoeft geen eventuele reis te onder nemen om te vernemen dat de objecten niet worden aangenomen i.v.m het al aanwezig zijn in de collectie.

 

Preventieve conservering (gebouwen) 9/2

 

Toen in 1978, na afkeuring van de depots in Leiden, de collecties de Militaire magazijnen aan de Paardenmarkt werden binnengedragen, constateerde Dhr Helder dat deze ruimten nog lang niet geschikt waren om een dergelijke kostbare collectie in het depot onder te brengen. Na Dhr Helder kwamen nog drie directeuren te weten, Dhr von Derschau, Kol. Molkenboer, en dhr Sigmond, al deze directeuren hebben meerdere keren het depot bekeken, in diverse jaargetijden, waarbij telkenmale mondeling door de depotmedewerkers erop werd gewezen op de stofvorming, en het extreem wisselende klimaat binnen de gebouwen zowel ’s winters als zomers.

 

Tot op heden heeft de directie, niet merkbaar voor de depotmedewerkers, geen stappen ondernomen om deze situatie defintief en grondig te verbeteren. De aangeschafte verplaatsbare be-en ontvochtigers zijn een druppel op de spreekwoordelijke gloeiende plaat. ’s winters worden de bevochtigers uitgeschakeld en ontdaan van water om te voorkomen dat het water in het bodemreservoir bevriest.

 

Op mondelinge voorstellen van depotmewerkers om op kosten van het museum, het dakbeschot van de gebouwen A, B en C te isoleren ten einde de fluctuatie qua temperatuur en rel. vochtigheid in te perken, werd als mondelinge reactie gegeven door bovengenoemde directeuren, dat de Rijksgebouwendienst er geen geld voor had, danwel D.G.W.T. ergeen geld had. (N.B er is in het verleden meerdere keren gewisseld van onderhoudsdienst of Rijksgebouwendienst of D.G.W.T (Dienst Gebouwen Werken en Terreinen)

 

Financiering van achterstanden in collectiebeheer 10/2

 

“Het legermuseum is eveneens een rijksgesubsidieerde instelling, ervan uitgaande dat de overheid niet met twee maten meet, zal bij de inventarisatie van achterstanden ook hier het behoud en goed beheer van de collectie (categorien A en B) uitgangspunt zijn. Opgemerkt moet worden dat het Legermuseum is ondergebracht bij het Min van Def en niet bij het Min van WVC /OCW. Zodat de eventuele subsidie-aanvragen ten behoeve van het gelanceerde Delta-plan alleen golden voor (Rijks)musea die vielen onder het Min van WVC/OCW, en 60% van hun subsidieaanvraag zelf konden financieren. Of het bestuur en directie destijds stappen hebben ondernomen om in aanmerking te kunnen komen voor het Deltaplan is niet bekend.

 

Om in de toekomst zo effectief mogelijk onderhoud te kunnen plegen aan de tentoongestelde objecten in de expositie, verdient het de voorkeur om de plafonds af te dekken ivm een voortdurende stofval uit naden en kieren, en de parketvloeren te voorzien van linoleum indien dit geen schadelijke gassen/dampen afgeeft of andere schade kan toebrengen an de objecten.. Hiermee kan worden voorkomen dat grote gedeeltes van de expositie moeten worden afgedekt met plastic om de huidige parketvloer een onderhoudsbeurt te geven (schuren en lakken) wat ook weer funest is voor de klimatologische omstandigheden.

 

Anderzijds moet men niet inhoudelijk, alleen naar de collectie van objecten kijken vwb actieve en passieve conservering. maar tevens is het wenselijk om vooruit in de toekomst te kijken. bv 50 jaar verder, er zal hoe dan ook, een expansie van objecten in de depots blijven plaats vinden, met daaraan gekoppeld expansie in de huidige expositie(s).

 

Tevens zou het wenselijk zijn om nu een kostenplaatje te maken vwb de kosten en baten voor het in “optimale conditie” brengen van collectie en van de huidige gebouwen, waarvan men nu al weet dat de ruimte klimatologisch te slecht en te krap is. En een kostenplaatje maken van een nieuw pand(en) met de vereiste klimatologische omstandigheden en depot(s) met ruim voldoende opslagcapaciteiten voor de volgende 50 jaar.

 

Daar de collectie van dit museum gedeeltelijk gevoed wordt door de steeds snellere ontwikkelingen in de wapentechnologie, en de daarmee gepaard gaande (selectieve) afstotingen tbv van de museumcollectie, is het verzadigingspunt nu al duidelijk merkbaar. De daarmee gepaard gaande inrichtingen en bijstellingen in de expositie zullen in de toekomst steeds meer problematischer worden. Niet alleen in de depots maar ook in de expositie is een riel gevaar aanwezig van het indikken van de expositie, dit om de continue militair geschiedkundige ontwikkelingen te kunnen exposeren. (ingecalculeerd een na-ijleffect van de geschiedkundige militaire actualiteiten).

 

Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn, het definitief verhuizen uit Delft (expo en depots) om ergens in den lande een geheel nieuw complex op te zetten, geheel ingericht volgens de huidige museale eisen, en hieraan een dusdanige inrichting van de expositie gekoppeld dat het zware (rijdend) materieel, dat in de toekomst een mogelijke actieve restauratie moet ondergaan zonder problematische ontruimingen van de expositie zelf, uit de expo kan worden verplaatst.

 

Deze zienswijze/gedachte zal beslist voor een behoorlijke beroering zorgen zowel bij het publiek als overheid. Dit kan uiteraard in de juiste positieve banen worden geleid door een actief begeleide campagne, waarbij de nadruk zou moet komen te liggen op een Deltaplan voor de Nederlandse Krijgshistorie.

 

Er is nog een andere mogelijkheid om zoals die in het verleden wel eens is gesuggereerd, namelijk de drie krijgsmachtmusea op n lokatie bijelkaar te zetten, immers alle drie de musea worden worden door het Min.van Defensie financiel geholpen. Teneinde versnippering van van financien in te perken heeft de genoemde suggestie kan een aantal voordelen hebben.

(hier niet nader genoemd.

 

Gaat men ervan uit dat de drie musea op een locatie zitten dan is het pakket van museale eisen qua inrichting van expositie en opslagruimte en klimaat voor alle drie gelijk.

 

Ook hier zal een kosten/batenanalyze op alle voor het museum denkbare terreinen een uitslag moeten geven of men hiermee museale winst kan behalen in de zin van, kennis, organistatie, efficiency en financien, op korte, middellange en zeer lange termijn.

 

Niet alleen voor het Legermuseum maar ook voor de andere twee krijgsmachtmusea. Daar er nu samenverwerkingsverbanden (convenant) zijn aangegaan met andere krijgsmachtmusea o.a Bronbeek, is het zeker de moeite waard om ook deze collecties, alsmede de Sectie Militaire Krijgsgeschiedenis in Den Haag bij elkaar te plaatsen op een locatie.

 

Σd Scholl 15 Januari 1997

 

Ergo conclusio

Ed Scholl is de Auctor Intellectualis (geestelijke vader) van het Nationaal Militair Museum in Soesterberg.

Advertenties